Menu

De zorg wordt onbetaalbaar. Waar blijft ons geld?

Twintig jaar marktwerking, en nog altijd geen afrekening

Van een paar tientjes ziekenfondspremie naar ruim tweeduizend euro per jaar. Een eigen risico dat werd ingevoerd en sindsdien blijft stijgen. Steeds meer zorg die niet meer wordt vergoed. Een stelsel dat steeds ingewikkelder wordt. En een minister die opnieuw wijst op vergrijzing, lonen en prijzen. Dat is geen verklaring, dat is een afleidingsmanoeuvre. Na twintig jaar marktwerking ligt er nog altijd geen antwoord op de enige vraag die ertoe doet: wat heeft dit stelsel opgeleverd, en wat kost het?
Op 21 oktober 2026 reageerde minister Sophie Hermans van Volksgezondheid op de premieverhoging die DSW die dag als eerste zorgverzekeraar bekendmaakte. Haar boodschap: er zijn maatregelen nodig om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden. De oorzaak ligt volgens haar bij de aanhoudend groeiende vraag naar zorg en de stijgende lonen en prijzen.
De cijfers achter die reactie liegen er niet om. De basispremie van DSW stijgt in 2027 met € 14,75 naar € 173,25 per maand. Dat is € 2.079 per jaar, een stijging van ruim 9 procent, en ruim twee euro per maand boven wat het kabinet op Prinsjesdag nog raamde. Het verplichte eigen risico gaat naar € 400.
Het is het bekende riedeltje. Zodra de zorgpremie stijgt, volgen dezelfde verklaringen: de bevolking wordt ouder, de zorgvraag neemt toe, personeel wordt duurder en nieuwe behandelingen kosten meer geld. Daarna komen maatregelen, bezuinigingen, hogere eigen betalingen en opnieuw een grotere rekening voor de burger.
Het wordt gebracht alsof stijgende zorgkosten een natuurverschijnsel zijn waartegen weinig valt te beginnen. Maar gezondheidszorg is geen natuurverschijnsel. Zij is het resultaat van politieke keuzes, organisatorische structuren en financiële afspraken. En dus mogen we vragen of die inrichting deugt.
Laat ik eerlijk zijn over wat klopt. Een deel van deze stijging is inhaal: de premie bleef dit jaar gelijk dankzij een eenmalig overschot in het Zorgverzekeringsfonds, en dat vangnet is nu weg. Maar juist dat maakt het verhaal van de minister zo pijnlijk. Het kabinet wist dat de klap zou komen. Het heeft een jaar gewonnen en dat jaar niet gebruikt om ook maar één structurele vraag over de besteding van het zorggeld te beantwoorden.

Welke maatregelen bedoelt de minister dan? En waarom beginnen die maatregelen altijd bij de patiënt, en nooit bij de organisatie van het stelsel?

Van zorg naar markt

Op 1 januari 2006 voerde VVD-minister Hans Hoogervorst de Zorgverzekeringswet in. Het onderscheid tussen ziekenfonds en particuliere verzekering verdween. Iedereen kwam onder één wettelijk stelsel, met een nominale premie, een inkomensafhankelijke bijdrage en zorgtoeslag voor lagere inkomens.
Hoogervorst was geen arts en geen zorgbestuurder, maar een financieel man: bankier, ambtenaar van Financiën, financieel woordvoerder in de Tweede Kamer en minister van Financiën. Hij keek naar de zorg zoals hij naar de schatkist keek: als een kostenpost die met marktprikkels in toom moest worden gehouden.
Daarmee werd de zorg een economische aangelegenheid. De patiënt werd een ‘verzekerde’, de behandeling een ‘product’, het ziekenhuis een ‘zorgaanbieder’ en de verzekeraar een ‘inkoper’. En er werd een nieuw beroep geboren: de zorgeconoom. Een contradictio in terminis. Zorg gaat over de mens die hulp nodig heeft; economie gaat over schaarste, prijs en rendement. Wie die twee in één woord samenvoegt, heeft al gekozen welke van de twee het laatste woord krijgt.
De belofte was helder. Concurrentie tussen verzekeraars zou leiden tot doelmatige zorginkoop en kostenbeheersing. Verzekeraars zouden scherp onderhandelen, zorgaanbieders op kwaliteit aanspreken en onnodige kosten tegengaan. De burger zou profiteren.

Twintig jaar beloftes, nul afrekening

Twintig jaar later betaalt diezelfde burger meer dan ooit. En nog altijd kan geen minister zeggen wat de marktwerking heeft opgeleverd. Zijn de totale kosten lager dan ze zonder deze hervorming zouden zijn geweest? Wat kost de uitvoering van het stelsel zelf? Welke besparingen zijn aantoonbaar gerealiseerd? En hoeveel extra administratie is ontstaan doordat verzekeraars en zorgaanbieders onderling contracten, declaraties, controles en rapportages moeten afstemmen?
Dat is geen toeval. Minister Hermans is, net als Hoogervorst, van de VVD. De partij die dit stelsel heeft gebouwd, moet het nu zelf verantwoorden. Niemand valt zijn eigen partijgenoot af en niemand zet graag het paradepaardje van zijn partij te kijk. Dus wordt er niet kritisch naar het stelsel gekeken, maar wordt het gedekt. De slager keurt zijn eigen vlees, en de burger betaalt de rekening.
Er zijn in de loop der jaren deelstudies en evaluaties verschenen, maar een integrale afrekening van het stelsel als geheel ontbreekt. Een bedrijf dat twintig jaar lang niet kan aantonen dat zijn bedrijfsmodel werkt, wordt door zijn aandeelhouders naar huis gestuurd. In de zorg zijn de burgers de aandeelhouders. Zij krijgen geen jaarverslag, alleen een hogere rekening.

De oude premie was niet de volledige zorgprijs

Wie zich het ziekenfonds herinnert, weet dat de zichtbare maandpremie toen veel lager was. Een eerlijke vergelijking vraagt wel om een kanttekening. De ziekenfondsverzekerde betaalde naast de nominale premie ook een inkomensafhankelijke bijdrage, waaraan werkgevers meebetaalden. Ook vóór 2006 bestonden particuliere verzekeringen en eigen betalingen. Wie de oude premie rechtstreeks naast de huidige basispremie legt, vergelijkt appels met peren.
Maar dat is niet het einde van de discussie. Het is het begin ervan. Als de financiering ingrijpend is veranderd, de uitgaven fors zijn gestegen en de burger steeds vaker de rekening krijgt, dan moet zichtbaar zijn wat er met het geld gebeurt. Die zichtbaarheid ontbreekt.

Regeren is evalueren

De minister wijst op de groeiende zorgvraag. Maar vergrijzing is geen onweersbui die onverwacht losbarst. De naoorlogse geboortegolf is al zestig jaar bekend. Iedere beleidsmaker wist dat grote generaties ouder zouden worden en dat de zorgvraag zou veranderen.
Men zegt: regeren is vooruitzien. Maar voor dit land geldt: regeren is evalueren. Achteraf, als het kalf al verdronken is. Er wordt geëvalueerd, gerapporteerd en een commissie ingesteld, en daarna gaat alles verder zoals het ging. En bij het zorgstelsel zelf gebeurt zelfs dat niet: na twintig jaar ligt er nog altijd geen integrale afrekening van wat de marktwerking heeft opgeleverd.

Natuurlijk zijn niet alle ontwikkelingen exact te voorspellen. Nieuwe geneesmiddelen, medische technieken en personeelstekorten beïnvloeden de kosten. Maar vergrijzing verklaart niet iedere extra euro. Een grotere zorgvraag maakt het nodig om meer zorg te organiseren; zij zegt niets over de vraag of die zorg doelmatig wordt georganiseerd. Twee ziekenhuizen kunnen dezelfde patiënt even goed behandelen en toch sterk verschillende overheadkosten maken. Dáár zit de vraag die nooit wordt gesteld.

Hoeveel zorg krijgen we voor iedere euro?

Volgens het CBS gaf Nederland in 2025 € 120,2 miljard uit aan gezondheidszorg, 6,1 procent meer dan een jaar eerder en ruim 10 procent van het bruto binnenlands product. Bij zulke bedragen volstaat het niet om vast te stellen dat de uitgaven stijgen. We moeten weten waarom ze stijgen en wat daartegenover staat.
Hoeveel geld gaat naar de behandeling van patiënten? Hoeveel naar verpleegkundige en verzorgende arbeid? Wat kosten gebouwen, apparatuur, ICT, logistiek en management? Hoeveel gaat er op aan controles, declaratieverwerking, contractonderhandelingen en rapportages? Het gaat er niet om vooraf een willekeurig percentage als verspilling aan te wijzen. Het gaat erom verspilling aantoonbaar op te sporen. Dat dit na twintig jaar nog altijd niet gebeurt, is op zichzelf al veelzeggend.

De verborgen kostenpost: het stelsel zelf

Goede zorg vraagt meer dan een arts en een patiënt. Er zijn verpleegkundigen, laboratoria, apotheken, sterilisatie, planning, schoonmaak en ICT nodig. Die kosten zijn niet automatisch verspilling. Maar er is een wezenlijk verschil tussen noodzakelijke organisatie en onnodige bureaucratie.
Elke verzekeraar heeft zijn eigen inkoopvoorwaarden, eigen controles, eigen ICT, eigen declaratie-eisen. Elke zorgaanbieder moet zich daar vervolgens aan aanpassen, keer op keer, per verzekeraar. Gegevens worden meermaals vastgelegd, gecontroleerd en opnieuw aangeleverd. Verpleegkundigen en artsen klagen er al jaren over: tijd die niet naar de patiënt gaat, maar naar het systeem.
Ik spreek hier niet vanuit theorie. Bij het Academisch Ziekenhuis Leiden heb ik een registratie- en declaratiesysteem ontwikkeld dat door ruim veertig ziekenhuizen werd overgenomen. Ik weet hoeveel er te winnen valt wanneer je administratie vereenvoudigt in plaats van vermenigvuldigt. En ik zie hoe het huidige stelsel precies het omgekeerde doet.
Iedere administratieve handeling moet een duidelijke reden hebben. Draagt zij bij aan patiëntveiligheid, kwaliteit, continuïteit of rechtmatige betaling? Dan is zij verdedigbaar. Zo niet, dan moet zij verdwijnen. Hetzelfde geldt voor management, bestuur, externe adviseurs en ICT-projecten. Geen enkele uitgave mag buiten een serieuze doelmatigheidstoets vallen.

Zorgverzekeraars: oplossing of extra kostenlaag?

Zorgverzekeraars kunnen waarde toevoegen door scherp in te kopen en onnodige behandelingen tegen te gaan. Maar ook zij kosten geld: medewerkers, gebouwen, systemen, management, controleafdelingen. En zorgaanbieders moeten op hun beurt capaciteit vrijmaken om met al die verzekeraars te onderhandelen, gegevens aan te leveren en aan uiteenlopende contractvoorwaarden te voldoen.
De vraag is dus niet of verzekeraars iets doen, maar of wat zij opleveren opweegt tegen wat zij kosten. Niet iedere verzekeraar jaagt op winst; het gaat om de prikkels en de inrichting van het systeem als geheel. Zelfs DSW, een verzekeraar zonder winstoogmerk, noemt het eindeloos opvoeren van de nominale premie een doodlopende weg en pleit voor een premie die meer van het inkomen afhangt. Als een verzekeraar zelf zegt dat het systeem vastloopt, is het tijd dat de minister luistert.

De zorg is geen gewone markt

Gezondheidszorg is geen markt voor televisies of vakantiereizen. Wie ernstig ziek is, kan niet wachten tot de prijs daalt. Een patiënt heeft zelden de kennis om zelfstandig de beste behandeling te kiezen. En niet de patiënt, maar een verzekeraar bepaalt hoe de zorg wordt ingekocht en betaald.
De zorgverlener beoordeelt wat medisch nodig is, de verzekeraar bepaalt wat wordt ingekocht en vergoed, de overheid stelt de regels vast. Iedereen is ergens verantwoordelijk voor, maar niemand voor het geheel. Wanneer het stelsel ondoelmatig functioneert, kan iedere partij naar een andere wijzen. Concurrentie maakt een stelsel niet vanzelf efficiënt. Efficiëntie moet blijken uit de verhouding tussen kosten, kwaliteit, toegankelijkheid en gezondheid. Precies die verhouding wordt nooit integraal gemeten.

Lonen zijn het probleem niet

Wie de zorg wil redden, moet de mensen aan het bed beter betalen, niet minder. Een verpleegkundige of verzorgende die meer verdient, is geen verspilling. Maar een salarisverhoging aan het bed is iets anders dan groeiende lagen management, contractmanagers, controleurs en consultants. Gooi dat niet op één hoop onder het kopje ‘stijgende lonen’. Splits het uit. Laat zien welk deel naar de patiënt gaat en welk deel naar de organisatie eromheen.

Het eigen risico: de burger als sluitpost

Het verplichte eigen risico werd in 2008 ingevoerd op € 150. In 2027 is het € 400. Intussen is steeds meer zorg uit het basispakket verdwenen of alleen nog via een aanvullende verzekering te krijgen, die lang niet iedereen kan betalen. Het kabinet wilde het eigen risico verhogen tot € 460, maar dat is door verzet in de Tweede Kamer uitgesteld tot op zijn vroegst 2028. Uitgesteld, niet afgesteld.
Een hoger eigen risico verandert niets aan de doelmatigheid van de zorg. Het verschuift alleen de rekening. Geen enkele dubbele registratie, geen enkel ingewikkeld contract en geen enkel ondoelmatig proces verdwijnt doordat een patiënt meer zelf betaalt. Wel weten we, en het kabinet rekent er zelf mee, dat mensen bij een hoger eigen risico minder zorg gebruiken. Een deel daarvan is noodzakelijke zorg die wordt uitgesteld, met het risico dat kleine klachten grote en dure problemen worden. Wie dat een besparing noemt, rekent niet, maar schuift.

Mijn eis: een onafhankelijke doelmatigheidstoets

Voordat de burger nog één euro extra betaalt, moet er een onafhankelijke, openbare doorlichting komen van de totale organisatiekosten van het zorgstelsel, bij verzekeraars, zorgaanbieders en toezichthouders samen. Die moet ten minste vijf vragen beantwoorden:

  1. Welk deel van het zorggeld komt daadwerkelijk bij de patiënt terecht?
  2. Wat kosten administratie, contractering, declaratieverwerking, ICT, management en toezicht, zonder dubbeltellingen?
  3. Wat heeft de concurrentie tussen verzekeraars sinds 2006 aantoonbaar bespaard, en wat heeft zij gekost?
  4. Hoeveel administratieve tijd kan weg zonder verlies van kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid?
  5. Welke maatregelen besparen structureel zonder de toegang tot noodzakelijke zorg te beperken?

Met openbare definities, vergelijkbare cijfers en onafhankelijke controle. Niet uitgevoerd door de partijen die er zelf belang bij hebben. En met consequenties: een evaluatie die in een la verdwijnt, is geen verantwoording maar uitstel.
Dat betekent niet dat iedere besparing direct tot een lagere premie leidt. Zorgvraag, lonen en medische mogelijkheden blijven zich ontwikkelen. Maar juist daarom moet iedere beschikbare euro aantoonbaar goed worden besteed.

Eerst verantwoording, dan pas de rekening

Het gaat er niet om terug te keren naar een verleden dat ook zijn gebreken had. Het gaat erom vast te stellen of het huidige stelsel doet waarvoor het is ontworpen. De burger betaalt premie, belasting en eigen risico. Daar mag hij tegenover zetten dat de overheid laat zien waar dat geld blijft.
Minister Hermans, u vraagt burgers opnieuw dieper in de buidel te tasten. Dat recht heeft u pas wanneer u kunt aantonen waar het geld blijft, welke kosten noodzakelijk zijn en welke verspilling kan verdwijnen. Twintig jaar na de invoering van het stelsel van uw partijgenoot is die verantwoording geen gunst, maar een plicht.

Een stelsel dat zijn betaalbaarheid wil verdedigen, moet eerst zijn doelmatigheid bewijzen. Zolang dat niet gebeurt, is elke premieverhoging een rekening zonder factuur.

Bronnen

ANP, ‘Premie DSW schiet met 14,75 euro per maand omhoog’, 21 oktober 2026.
ANP, ‘Hermans: maatregelen nodig om zorg betaalbaar te houden’, 21 oktober 2026.
Keuze.nl, ‘Eerste zorgpremie 2027 bekend: DSW bijna € 15 per maand duurder’, 21 oktober 2026.
CBS, ‘Uitgaven gezondheidszorg 6,1 procent hoger in 2025’, juni 2026.
Eerste Kamer, ‘Aandachtspunten bij de ontwerpbegroting 2027, hoofdstuk XVI (VWS)’, september 2026.
Parlement.com, biografie J.F. (Hans) Hoogervorst.

Koos Dirkse