Menu

Tussen twee vuren

Mag de journalist nog over medicijnen schrijven? — Opinie

Door: Koos Dirkse

Wie positief over een geneesmiddel schrijft, riskeert een boete van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd wegens verboden publieksreclame. Wie kritisch schrijft, kan een farmaceutisch bedrijf tegenover zich vinden dat langs civielrechtelijke weg tegen de berichtgeving opkomt. Het gaat daarbij om twee verschillende juridische regimes, met elk hun eigen maatstaven — bestuursrechtelijk toezicht op geneesmiddelenreclame aan de ene kant, civiel recht rond onrechtmatige publicatie aan de andere — maar voor de redactie die moet beslissen wat zij publiceert, voelt het verschil tussen beide nauwelijks minder benauwd. Daarmee staat de journalist tussen twee machtige partijen in: de overheid met haar toezichthouder aan de ene kant, een industrie met grote financiële en juridische slagkracht aan de andere. Dat is geen normale positie voor onafhankelijke journalistiek.

Het gaat niet om een theoretische discussie. In augustus 2026 bevestigden NRC, de Volkskrant, AD en De Telegraaf, zo bleek uit berichtgeving van onder meer het FD en NOS, boetes van de IGJ te hebben ontvangen voor berichtgeving over de afslankmiddelen Ozempic, Wegovy en Mounjaro. DPG Media kreeg €51.000 aan boetes voor artikelen in de Volkskrant en het AD. Alle vier de kranten hebben aangekondigd in bezwaar en beroep te gaan, zodat de zaak nog onder de rechter is.

Een van de beboete artikelen, in de Volkskrant, besprak onderzoek dat in Nature was gepubliceerd over gezondheidsvoordelen van afslankmedicatie. De IGJ motiveert de boetes onder meer met het argument dat Ozempic in Nederland is geregistreerd als geneesmiddel tegen diabetes en niet als afslankmiddel, en uitsluitend op recept verkrijgbaar is; berichtgeving die het middel toch primair als afslankmiddel presenteert, zou volgens de toezichthouder de indruk van vrije verkrijgbaarheid kunnen wekken. Dat argument verdient het om serieus te worden meegewogen, ook door wie er kritisch over schrijft. Voor NRC en De Telegraaf waren de betreffende procedures op het moment van schrijven nog niet definitief afgerond.

Van belang is ook dat de toezichthouder niet zonder steun staat. De Rechtbank Amsterdam hield in april 2026 een eerdere boete van €48.450 uit april 2025 in stand, opgelegd voor artikelen in De Stentor en het tijdschrift Flair, met het oordeel dat die publicaties onvoldoende neutraal waren om nog als berichtgeving te gelden. De rechtbank achtte de beperking van de vrijheid van meningsuiting die daaruit voortvloeit gerechtvaardigd ter bescherming van de volksgezondheid. Wie het optreden van de IGJ bekritiseert, moet dat oordeel onder ogen zien.

Een begrijpelijke wet met een lastig gevolg

Geneesmiddelenreclame moet gereguleerd blijven. Een geneesmiddel is geen wasmiddel of frisdrank: het kan levens redden, maar ook ernstige bijwerkingen veroorzaken, en het gebruik ervan hoort te worden gestuurd door medische noodzaak en niet door commerciële verleiding. De Geneesmiddelenwet verbiedt daarom publieksreclame voor receptplichtige middelen. Tot zover weinig discussie.

Ingewikkelder wordt het zodra de vraag niet meer alleen is wat een fabrikant mag, maar ook wat een krant mag. De IGJ heeft duidelijk gemaakt dat ook media onder omstandigheden publieksreclame kunnen maken, en beoordeelt daarbij inhoud, context en presentatie van een publicatie. Een journalistiek artikel kan zo binnen het bereik van de Geneesmiddelenwet komen. Juridisch is dat wellicht verdedigbaar, maatschappelijk is het ingrijpend.

Wanneer wordt informatie reclame?

Stel dat internationaal onderzoek een onverwacht positief effect van een geneesmiddel aantoont — precies wat er met het Nature-onderzoek achter de Volkskrant-zaak gebeurde. Dat is nieuws, en een wetenschapsredactie hoort dat te melden. Een zin als ‘nieuw onderzoek laat zien dat het middel mogelijk meer gezondheidsvoordelen heeft dan eerder werd aangenomen’ klinkt positief, maar is ook gewoon een feitelijke weergave van wetenschap.

Een feit wordt echter niet automatisch reclame alleen omdat het positief is, maar het wordt ook niet automatisch géén reclame omdat het feitelijk is. Ook feitelijke of wetenschappelijke informatie kan, afhankelijk van inhoud, presentatie en context, juridisch als geneesmiddelenreclame worden aangemerkt: de IGJ en de rechter kijken naar het aanprijzende karakter van de uiting als geheel en naar het kennelijke doel om gebruik te bevorderen. Dat maakt de vraag voor een redactie moeilijker dan een simpel ja of nee — en het betekent ook dat wetenschap niet uitsluitend negatief mag worden gebracht om juridisch veilig te blijven: soms werkt een middel beter dan verwacht, vermindert het complicaties of verlengt het leven, en dat zijn feiten die een journalist moet kunnen melden binnen diezelfde onzekere grens.

De andere kant is minstens zo problematisch

Een farmaceutisch bedrijf heeft recht op bescherming tegen aantoonbaar onjuiste beschuldigingen en misleidende berichtgeving, en dat recht moet blijven bestaan. Een journalist kan niet zomaar beweren dat een middel gevaarlijk is zonder deugdelijke onderbouwing.

Kritische journalistiek is echter niet hetzelfde als onjuiste journalistiek. Een krant mag vragen stellen over de prijs van een geneesmiddel, de winst van de fabrikant, bijwerkingen, de kwaliteit van klinische studies, marketing, en over de vraag of een middel werkelijk beter is dan een goedkoop alternatief. Dat is geen aanval op een industrie die de geneeskunde revolutionair heeft veranderd, dat is democratische controle op een machtige sector.

De journalist tussen twee vuren

Kritische berichtgeving is als zodanig niet verboden — dat vergt, zoals gezegd, een civielrechtelijke procedure met eigen bewijslast, geen bestuursrechtelijke boete. Maar dat juridische onderscheid biedt een redactie in de praktijk weinig troost: van twee kanten kan een kostbare procedure volgen, ook al verschillen de gronden. Schrijft de journalist genuanceerd, dan blijft bovendien de mogelijkheid bestaan dat de toezichthouder de presentatie onvoldoende neutraal vindt. Wat overblijft is voorzichtigheid, en na verloop van tijd wellicht stilte.

Dat gevaar zit niet in een expliciet verbod. Het zit erin dat een redactie, wetend dat een formulering kan leiden tot een boete van tienduizenden euro’s, het financiële risico laat meewegen in de journalistieke afweging. De vraag wordt dan niet alleen: is dit waar, is dit relevant, is dit nieuws? De vraag wordt ook: kunnen wij ons veroorloven dit te publiceren? De Nederlandse Vereniging van Journalisten heeft na de recente boetes zelf gewaarschuwd voor precies dit effect, en sprak van een mogelijk ‘chilling effect’ op het werk van journalisten. Wie dat effect serieus neemt, moet erkennen dat het een fundamentele verschuiving is.

Wie betaalt de prijs?

Niet alleen de krant, de journalist of de farmaceut. De patiënt betaalt de prijs. Hij heeft onafhankelijke journalistiek nodig naast informatie van fabrikant, overheid en arts: berichten dat een nieuw middel veelbelovend is, maar ook dat het misschien minder revolutionair is dan het lijkt; dat een middel ernstige bijwerkingen heeft, maar voor sommige patiënten levensreddend kan zijn; wat het kost, wie eraan verdient en wat onafhankelijke deskundigen ervan vinden. Dat is geen reclame. Dat is informatie.

De paradox: minder reclame, minder informatie

De overheid wil patiënten beschermen tegen commerciële beïnvloeding, en dat is terecht. Maar wanneer diezelfde regels ertoe leiden dat onafhankelijke media minder durven te publiceren over geneesmiddelen, ontstaat een informatievacuüm dat wordt opgevuld door sociale media, influencers en gesponsorde content, waarvan de betrouwbaarheid veel moeilijker te beoordelen is. Dat kan de volksgezondheid uiteindelijk schaden. Een goed artikel waarin werking, bijwerkingen, onzekerheden en belangen worden besproken, is een van de beste beschermingen tegen misleidende informatie. Verdwijnt zo’n artikel, dan verdwijnt niet de informatie zelf, maar wel de betrouwbare versie ervan.

De grens tussen reclame en journalistiek moet scherper

Naar geldend recht is dat onderscheid overigens niet beperkt tot de opdrachtgever of een betaling: de IGJ benadrukt zelf dat ook een onafhankelijke mediapartij, zonder commerciële relatie met de fabrikant, publieksreclame kan maken als de uiting naar inhoud, presentatie en context een aanprijzend karakter krijgt en kennelijk het gebruik van het middel bevordert. Dat is de huidige stand van zaken, en die verdient het om serieus te worden genomen.

De oplossing is dan ook niet het afschaffen van de Geneesmiddelenwet, maar naar mijn oordeel het scherper definiëren van de grens tussen commerciële reclame en onafhankelijke journalistiek. Een publicatie zou niet als geneesmiddelenreclame moeten gelden alleen omdat een middel positief wordt beschreven. Bij een toekomstige wettelijke afbakening zou naar mijn oordeel zwaarder moeten worden gekeken naar: wie is de opdrachtgever, is er een commerciële relatie of betaling, wordt het middel verkocht door wie de publicatie verspreidt, en wordt de lezer aangespoord tot gebruik, of wordt wetenschappelijke informatie onderzocht en in context geplaatst? Een krant die schrijft dat een middel effectief is, doet dat omdat onderzoek daar aanleiding toe geeft. Een fabrikant die dezelfde woorden gebruikt, doet dat om te verkopen. De woorden kunnen gelijk zijn, het doel is totaal verschillend, en dat onderscheid zou naar mijn oordeel juridisch zwaarder moeten wegen dan nu het geval is.

Een harde vraag aan de overheid, en de grenzen van persvrijheid

De overheid zou één vraag helder moeten beantwoorden, en wel vooraf: hoe moet een journalist over een geneesmiddel schrijven om zeker te weten dat hij niet als reclamemaker wordt aangemerkt? Wanneer een journalistieke activiteit financieel zwaar bestraft kan worden, moeten de grenzen van wat verboden is voldoende duidelijk zijn. Een systeem waarin een journalist vooraf niet weet of een artikel achteraf als reclame geldt, nodigt uit tot zelfcensuur.

Dat betekent niet dat persvrijheid een vrijbrief is. Een krant mag geen leugens verspreiden, een journalist mag geen commerciële belangen verbergen, en een fabrikant mag niet heimelijk betalen voor positieve berichtgeving. Maar dat is iets anders dan een journalist straffen omdat hij een wetenschappelijk resultaat beschrijft dat toevallig positief uitpakt voor een geneesmiddel. Die grens moet worden bewaakt, en niet worden bepaald door angst.

Dit gaat uiteindelijk over macht

Achter deze discussie schuilt een groter vraagstuk: wie bepaalt welke informatie burgers over geneesmiddelen krijgen? In een vrije samenleving hoort geen enkele partij daarop het alleenrecht te hebben. De industrie mag ontwikkelen en verkopen binnen de wet, de overheid mag regels stellen, de toezichthouder mag handhaven en de arts mag voorschrijven, maar de journalist moet kunnen onderzoeken en de patiënt moet kunnen weten. Dat zijn geen tegenstrijdige belangen, dat zijn de pijlers van een gezonde democratische gezondheidszorg.

Is Nederland hierdoor een dictatuur? Nee, dat zou een te grote en juridisch onhoudbare kwalificatie zijn. Het land beschikt over een vrije pers, onafhankelijke rechters en rechtsmiddelen tegen besluiten van toezichthouders. Maar het zou naïef zijn om een beperking van de persvrijheid pas serieus te nemen wanneer die vrijheid al verloren is gegaan: vrijheid moet worden bewaakt voordat zij verdwijnt.

Tussen twee vuren: de conclusie

De IGJ mag geneesmiddelenreclame bestrijden. Fabrikanten mogen zich verdedigen tegen aantoonbaar onjuiste publicaties. Maar er ontstaat een gevaarlijke ruimte waarin de journalist van beide kanten onder druk kan komen. Wordt de veiligste keuze uiteindelijk ‘schrijf er maar niet over’, dan is er een serieus maatschappelijk probleem — niet omdat een krant één keer te positief over een geneesmiddel schrijft, maar omdat een krant besluit er helemaal niet meer over te schrijven.

De journalist die over geneesmiddelen schrijft, staat tussen de overheid, die kan zeggen dat de berichtgeving niet neutraal genoeg is, en de farmaceutische industrie, die kan zeggen dat de berichtgeving onjuist of schadelijk is. Achter die journalist staat de patiënt, en om hem zou het uiteindelijk moeten gaan: niet de reputatie van een krant, niet de belangen van een fabrikant, niet de macht van een inspectie, maar het recht van iedere burger op betrouwbare informatie over geneesmiddelen die zijn gezondheid en soms zijn toekomst bepalen. Zodra angst bepaalt wat een journalist niet meer durft te publiceren, heeft niemand de pers formeel het zwijgen opgelegd, maar is de vrijheid om te schrijven wel degelijk kleiner geworden.

Koos Dirkse