Cijfers op tafel: wie betaalt, wie int en wie er beter van wordt
Aanleiding voor dit artikel is de recente berichtgeving over de financiële positie van Nederlandse zorgaanbieders. Die cijfers zijn op zichzelf al verontrustend, maar worden pas werkelijk onthullend wanneer je ze naast de financiële resultaten van de zorgverzekeraars en de banken legt.
In mijn eerdere commentaar, ‘De zorg wordt kapotgerekend’, schetste ik de driehoek waarin de zorgaanbieder gevangen zit: de overheid bepaalt de regels, de zorgverzekeraar bepaalt voor een belangrijk deel de financiering en de bank bepaalt mede de kredietwaardigheid.
Daarbovenop staat een steeds dikkere laag van toezichthouders, kwaliteitsorganisaties, adviesorganen en andere bureaucratische instanties.
Maar wat gebeurt er als we niet alleen naar de regels kijken, maar ook naar de cijfers?
Dan ontstaat een beeld dat moeilijk nog als een incident kan worden afgedaan.
Niet als illustratie, maar als bewijsstuk.
De zorgaanbieder: bijna honderd instellingen in het rood
EY onderzocht in de Barometer Nederlandse Gezondheidszorg 2026 de 646 grootste zorgorganisaties op basis van de jaarrekeningen over 2025. Bijna honderd daarvan schreven rode cijfers. Het gemiddelde rendement daalde licht naar 2,2 procent, met een groeiende bandbreedte eromheen: de kloof tussen sterke en zwakke instellingen wordt groter, niet kleiner.
En dat gemiddelde rendement is misleidend hoog.
EY’s eigen impactanalyse laat zien dat de sector over de periode 2019–2024 ruim elf miljard euro te weinig heeft geïnvesteerd. De vaste-activaratio, de maat voor investeringen in gebouwen, infrastructuur en technologie, daalde in tien jaar van ongeveer zestig naar zevenendertig procent.
Het zogenaamde ‘gezonde’ rendement van vandaag is daarmee voor een belangrijk deel uitgestelde ellende van morgen.
De zorgverzekeraar: winst verdrievoudigd, reserves ruim boven de wettelijke ondergrens
Zorgverzekeraars boekten in 2025 hun hoogste financiële resultaat per verzekerde in jaren. Het technisch resultaat — het verschil tussen ontvangen premie en uitgekeerde zorgkosten — steeg van gemiddeld 21 euro per verzekerde in 2024 naar 66 euro in 2025.
Een verdrievoudiging in één jaar.
De premie-inkomsten stegen met 5,4 procent naar 3.654 euro per verzekerde, terwijl de zorgkosten met slechts 3,9 procent toenamen.
Zorgverzekeraars zijn wettelijk verplicht financiële buffers aan te houden ter bescherming van de verzekerde. Eind 2024 hadden zij gezamenlijk 11,4 miljard euro aan reserves voor de basisverzekering, terwijl daarvan 8,2 miljard euro wettelijk vereist was.
Dat betekent dat er ongeveer 3,2 miljard euro boven de wettelijke solvabiliteitseis werd aangehouden.
Dat is op zichzelf geen bewijs van misbruik — verzekeraars moeten financiële risico’s kunnen opvangen — maar het roept wel een fundamentele vraag op:
Waarom staat de zorgaanbieder financieel steeds meer onder druk, terwijl de partij die de zorg financiert miljarden aan reserves en positieve resultaten kan opbouwen?
De bank: ruim dertien miljard euro winst in één jaar
De drie grootbanken die een belangrijke rol spelen in de financiering van de Nederlandse zorg boekten over 2025:
- ING: 6,3 miljard euro nettowinst
- Rabobank: 4,96 miljard euro nettowinst
- ABN AMRO: 2,25 miljard euro nettowinst
Samen: ruim 13,5 miljard euro winst in één enkel boekjaar.
En juist deze banken beoordelen mede of een zorginstelling met een moeilijke liquiditeitspositie nog krediet krijgt — en tegen welke voorwaarden.
Daar zit iets ongemakkelijks.
De zorgaanbieder moet financieel gezond zijn om geld te mogen lenen. De bank die dat oordeel mede bepaalt, kan ondertussen zelf miljarden winst maken.
En daarboven: de bureaucratische laag
Alsof de financiële driehoek nog niet ingewikkeld genoeg is, moet de zorgprofessional zich daarnaast verhouden tot een lange rij van instanties en organisaties:
- de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa);
- de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ);
- Zorginstituut Nederland;
- De Nederlandsche Bank (DNB);
- de Autoriteit Consument & Markt (ACM);
- de Autoriteit Financiële Markten (AFM);
- het Waarborgfonds voor de Zorgsector;
- de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS);
- kwaliteitsregistraties, accreditatie-instellingen, brancheorganisaties en interne toezichthouders.
Iedere instantie afzonderlijk heeft een verdedigbare taak.
Maar wie kijkt nog naar het geheel?
Wie berekent hoeveel geld, tijd en menskracht deze totale bureaucratische infrastructuur kost?
En vooral: hoeveel van die middelen komen uiteindelijk nog bij de patiënt terecht?
De zorgprofessional wordt gecontroleerd op kwaliteit, veiligheid, financiën, registratie, protocollen, productie, verantwoording en naleving.
De zorgaanbieder wordt gecontroleerd op vrijwel alles.
De zorgverzekeraar wordt gecontroleerd op solvabiliteit. De bank op financiële gezondheid. De zorgaanbieder op alles.
Dat is een fundamentele scheefgroei.
De rekening
Bijna honderd zorginstellingen in de rode cijfers. Een investeringsachterstand van elf miljard euro. Daartegenover een verdrievoudigd technisch resultaat van zorgverzekeraars, 11,4 miljard euro aan reserves voor de basisverzekering en ruim 13,5 miljard euro winst bij de drie grote banken in één jaar.
Dat is geen bewijs dat iedere euro bij verzekeraars of banken ten koste gaat van de zorgaanbieder.
Maar de tegenstelling is te groot om zonder vragen te laten passeren.
De partij die de zorg daadwerkelijk levert, staat financieel onder druk.
De partij die de zorg financiert, beschikt over miljarden aan reserves en behaalt positieve resultaten.
De partijen die de zorg financieren en krediet verstrekken, kunnen gezamenlijk miljardenwinsten realiseren.
En de overheid die dit geheel zou moeten bewaken, heeft zichzelf omringd met een steeds grotere bureaucratische infrastructuur.
Iedereen bewaakt een onderdeel. Maar wie bewaakt het geheel?
En vooral:
wie bewaakt de patiënt?
DE ZORG MOET TERUG NAAR DE DOKTER.
Niet naar de bank.
Niet naar de verzekeraar.
Niet naar de bureaucratie.
Niet naar de spreadsheet.
Naar de dokter. Naar de verpleegkundige. Naar de verzorgende. Naar de hulpverlener. En vooral: naar de patiënt.
De zorg moet niet worden georganiseerd rondom het systeem.
Het systeem moet worden georganiseerd rondom de zorg.
Dat raakt rechtstreeks aan de kern van mijn boek De verdwijnende werkelijkheid: wat gebeurt er wanneer cijfers, systemen, protocollen en digitale modellen de werkelijkheid steeds meer gaan vervangen?
Ook in de zorg dreigt die werkelijkheid te verdwijnen.
De patiënt wordt een dossier.
De zorg wordt een prestatie-indicator.
De professional wordt een uitvoerder.
De organisatie wordt een financiële eenheid.
En de bureaucratie groeit.
Een perfect georganiseerd zorgsysteem waarin steeds minder tijd en ruimte overblijft voor echte zorg, is geen succes.
Het is een systeem dat zijn doel is vergeten.